Welkom bij Linguata.

Uw vertaalbureau voor vertalingen Nederlands<->Duits.

Geef een seintje via de chat of per e-mail indien het door

u gezochte spreekwoord/gezegde er nog niet tussen staat.

 

Nederlands / Nederlandse vertaling
 uit de lucht komen vallen
 de spijker op de kop slaan
 voor aap staan
 van de hak op de tak springen
 in de wolken zijn
 liefde maakt blind
 geen knip voor zijn neus waard zijn
 er geen kaas van gegeten hebben
 Honger is de beste kok
 Dat is (oud) lood om oud ijzer
 de handen uit de mouwen steken
 dat is oude koek
 ergens de buik vol van hebben
 de aap komt uit de mouw
 een bodemloze put
 In het land der blinden is eenoog koning
 dat is geen zuivere koffie
 voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast
 beter safe dan sorry
 dat staat als een paal boven water
 wie het kleine niet eert is het grote niet weerd
 iemand uit de tent lokken
 op grote voet leven
 niet verder kijken dan je neus lang is
 roet in het eten gooien
 dat is ongehoord
 olie op het vuur gooien
 je hart vasthouden
 de aanhouder wint
 voor iemand de hand in het vuur steken
 de toon aangeven
 een blok aan het been zijn
 iets uit de duim zuigen
 iemand voor het lapje/de gek houden
iemand een oor aannaaien
 het hoofd boven water houden
 een gat in de lucht springen
 in het water vallen
 wie a zegt moet ook b zeggen
 je moet geen slapende honden wakker maken
 je groen en geel ergeren
 met iemand een appeltje te schillen hebben
 het kind bij zijn naam noemen
 door de zure appel heen bijten
 met je mond vol tanden staan
 een grote mond hebben
 iemand het vel over de oren halen
 het is vel over been
 ik zit lekker in mijn vel
 ('t is) om uit je vel te springen
 een schip op het strand is een baken in zee
 water/zand naar de zee dragen
 het kind (niet) met het badwater weggooien
 stille waters hebben diepe gronden
 wat niet weet dat niet deert
 de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens
 de wijsheid in pacht hebben
 iemand de mond snoeren
zich de mond niet laten snoeren

 stel niet uit tot morgen

 wat je vandaag kunt doen

 wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in
 iets met een korreltje zout nemen
 willens en wetens
 iemand de wind uit de zeilen nemen
 van een koude kermis/met de kous op de kop thuiskomen
 de laatste loodjes wegen het zwaarst
 een olifantshuid hebben
 [met x] zit je altijd goed / goed zitten
 je moet een gegeven paard niet in de mond/bek kijken
 moed verzamelen
 wat Hansje niet leert, zal Hans niet weten
 aan elkaar gewaagd zijn
 wie wind zaait, zal storm oogsten
 er is werk aan de winkel
 klare wijn schenken
 op rotsen ploegen /dat is vergeefse moeite
 leugens hebben korte benen
 het leeuwendeel van iets krijgen
 kleren maken de man
 haastige spoed is zelden goed
 gewogen en te licht bevonden
 (iets) op de bonnefooi (doen)
 die / wie het eerst komt, het eerst maalt
 iemand de das omdoen / dat deed haar/hem de das om
 veel geschreeuw en weinig wol
 haar op de tanden hebben
 vanavond ga ik uit mijn dak
(hij gaat) uit zijn dak (gaan)
 helemaal losgaan
 het mooiste/beste vermaak is leedvermaak
 geen beter vermaak dan leedvermaak
 niet uitgekgeken raken
iets als zijn broekzak kennen
het is dweilen met de kraan open
iets in de vingers hebben
de plank misslaan
tot zijn/hun recht komen (visueel)
ik snap er geen biet/niks van
in hetzelfde schuitje zitten/varen
boter op je hoofd hebben
(laten we) schoon schip maken
het is zo vast als een huis
na regen komt zonneschijn
(niet) over één nacht ijs gaan
kelderen
koffiedik kijken
morgenstond heeft goud in de mond
holle vaten klinken het hardst
ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is
wie een hond wil slaan vindt licht een stok
schot in de roos
trots als een aap zijn
iets niet te nauw nemen
een toontje lager zingen
ging het balletje rollen
dat doet een belletje rinkelen
op het puntje van de tong liggen
iemand op het verkeerde spoor zetten
op het verkeerde spoor zetten
Gelegenheid maakt de dief
wie mooi wezen wil moet pijn lijden
bij de les blijven
verandering van spijs doet eten
het te bont maken (te ver gaan)
zwaarder wegen (fig.)
op een boogscheut
het aan het verkeerde eind hebben (fig.)
eten wat de pot/kok schaft
Je eet wat de pot schaft!
iemand de oren van het hoofd eten
de boer op gaan

de soep wordt nooit zo heet gegeten

als hij wordt opgediend

iemand op heterdaad betrappen
iemand in de steek laten
wie mooi wezen wil moet pijn lijden
verandering van spijs doet eten
Men kan geen vijgen van distelen lezen
Een zot mens droomt zotte dromen
De geest is gewillig, maar het vlees is zwak
de appel val niet ver van de boom
Zo vader, zo zoon
Zo moeder, zo dochter
Aan de vruchten kent men de boom
Goed bloed kan niet liegen
Wat van apen komt, wil luizen, wat van katten komt, wil muizen
Zo de wol is, is het laken
Kwaad ei, kwaad kuiken
Zoals de ouden zongen, piepen de jongen
Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst
Jeugd kent (heeft) geen deugd
Een goede haan is niet vet
Jagers en vissers zijn missers
Een vrouw zonder man is als een vis zonder fiets
Een onderrok trekt meer dan twee paarden

Wees altijd schouw voor het achterste

van een ezel en het voorste van een vrouw

Jonge vrouwen zijn de paarden

waarop oude mannen naar de hel rijden

Vrouwenlist gaat boven alle list
Een vrouw verandert dikwijls
Witte paarden eisen veel stro
Een pop op straat, een slons in huis
Waar een Griet in huis is, heeft men geen hofhond nodig
Een kus in ere kan niemand deren
Een kusje zonder baard is een eitje zonder zout
De beste paarden staan (vindt men) op stal
Als de rechte Adam komt, gaat Eva mee
Waar de meiden sponzen, plonzen de jongens
Er zijn meer huizen dan kerken
Men kan beter op een zak met vlooien passen dan op een jonge meid
Men moet de kat niet bij het spek zetten
Wie de dochter trouwen wil, moet de moeder vrijen
De liefde bedekt alle dingen
Liefde overwint alles
De liefde is sterker dan de dood
Geen potje zo scheef of er past een dekseltje op
Wie gaarne zijn huis verkoopt, versiert zijn gevel
Als de appel rijp is, valt hij (al is 't ook een moddersloot)
Als de peer rijp is, valt zij (ook)
Oude liefde roest niet
Van liefde rookt de schoorsteen niet
Liefde doet veel, het geld doet het al
In 't duisteren is 't goed fluisteren

Vrij je buurmans kind,

dan weet je wat je vindt

Gelijk bij gelijk
Geld zoekt geld
Waar de schoorsteen rookt, is het goed vrijen
Vrijen is een leugenachtig ambacht

Als men de kat op de spek bindt,

wil hij er niet van vreten

In de oorlog en in de liefde is alles geoorloofd
Huwelijken worden in de hemel gesloten
Trouwen is beter dan branden

Wat God samengevoegd heeft,

zal de mens niet scheiden

Van bruiloft komt bruiloft
Vroeg trouwen, vroeg rouwen
Haastig getrouwd, lang berouwd

Er behoort meer tot een huis

dan een zoutvat

Eerst het kooitje klaar en dan het vogeltje erin
Die trouwt doet goed, maar die niet trouwt doet beter

Als het huwelijk is om het gelletje,

dan wordt het vaak een helletje

Het is in 't huis een groot verdriet, als het hennetje kraait en het haantje niet

Het is beter met de uil gezeten

dan met de valk gevlogen

Om een schepel kan (moet) men geen molen bouwen

Een oude bok lust nog wel

een groen blaadje

Als een oude schuur brandt,

is er geen blussen aan

Kinderen zijn een zegen des Heren
Kleine boompjes worden groot
Velen vliegen uit het nest eer zij slagpennen hebben
De koe vergeet maar graag dat ze zelf kalf is geweest
Oude beren dansen leren is zwepen verknoeien
Grijs haar, wijs haar
Hoe ouder, hoe gekker
Als de duivel oud wordt, leert hok bidden
Jong een hoer, oud onder de preekstoel
Mans moer is de duivel over de vloer

Een ezel kent men

aan zijn oren

Men kan wel goed zaad zaaien uit een slechte mand
Elke zot zijn marot
Gelijke monniken, gelijke kappen
Goede wijn behoeft geen krans
Natuur trekt meer dan zeven paarden
Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken
Doornen brengen geen rozen voort
Aan de vruchten kent men de boom
Men kent de vogel aan zijn veren
Der timmerlieden kout is van het timmerhout
Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding
Kleine vogeltjes maken kleine nestjes
Snotterige veulens worden de gladste paarden
Op zulke waters vangt men zulke vissen
Vroeg rijp, vroeg rot

Een rotte appel in de mand,

maakt al het gave fruit te schand

Als een varken droomt, dan is het van draf

Rood haar en elzenhout

zijn op geen goede grond gebouwd (verbouwd)

Men moet de bokken van de schapen scheiden
Deugd alleen maakt ware adel
Soort zoekt soort
Gelijk mint zijn gelijk
Uilen vliegen met uilen
De ene kraai pikt de andere de ogen niet uit
De ene stamelaar verstaat de andere wel
Twee harde stenen malen zelden fijn
Beleefdheid kost geen geld
Een goed woord vindt altijd een goede plaats

Met de hoed in de hand

komt men door het hele land

Ruwe bolster, blanke pit

Een boer

blijft een boer

Ondank is 's werelds loon
Ontvangen weldaden schrijft men in 't zand
Als 't varken zat is, gooit het de bak om
De reinen is alles rein
Een arend vangt geen vliegen
Beter een schat van ere dan van goud
Verloren eer komt moeilijk weer
Vele eersten zullen de laatsten zijn
Vele laatsten zullen de eersten zijn
Een goede naam is goud waard
Wie de naam heeft van vroeg op te staan, mag lang slapen (in bed blijven)
De duivel is niet zo zwart als men hem schildert
Wie eens steelt, is altijd een dief
Wie hoog klimt, valt laag
Liever de eerste in mijn dorp dan de tweede in Rome
Eerlijk duurt het langst

Als de vos de passie preekt,

boer pas op je ganzen (kippen)

Het is kwaad stelen waar de waard een dief is
In 't fijnste laken is 't meeste bedrog
Papier is geduldig

Geduld is een bitter kruid,

maar het wast niet in alle hoven

Geduld is een bitter kruid, maar draagt goede vrucht
Men moet een boom buigen als hij jong is
Wie niet horen wil, moet voelen

Voor een grove kwast

heeft men een scherpe beitel nodig

Waar de duivel een boodschap heeft,

daar stuurt hij een oud wijf heen

Wie zich tot schaap maakt,

wordt door de wolven gevreten

Wat u niet wilt dat u geschiedt,

doe dat ook een ander niet

Oude bokken hebben stijve hoorns
Een ezel gaat niet uit zijn tred
Doe wel en zie niet om
Wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft
Wie spoedig geeft, geeft dubbel
Aalmoezen geven verarmt niet
Laat de linkerhand niet weten wat de rechterhand doet
Wie de arme geeft, leent de Heer
De bedelzak heeft geen bodem
Het hemd is nader dan de rok
Elk voor zich en God voor ons allen
Al te goed is buurmans gek
Gierigheid (Geldzucht) is de wortel van alle kwaad

Heeft de duivel 't paard gegeten,

dan neemt hij de toom ook nog

Volle korenaren hangen 't laagst
Wie zichzelf verhoogt, zal vernederd worden
Hoogmoed komt ten val
Hoe kaler, hoe royaler
De haan kraait het hardste op zijn eigen mesthoop
Blaffende honden bijten niet
Een man een man, een woord een woord

't Is wel duizend jaar geleden,

dat de trouw is weggereden

Als het schip lek is, gaan de ratten van boord
De ploeg die arbeidt blinkt, het stille water stinkt
Wie zaait, zal oogsten
Luiheid verarmt, arbeid verwarmt
Een mens zonder handen, is een hond zonder tanden
Lege handen, lege tanden
Ijver zonder verstand, schade voor de hand
Als de zon is in 't west, zijn luiaards op hun best
Een kwaad werkman vindt nooit goed gereedschap
Een volle maag studeert niet graag
De morgenstond heeft goud in de mond
Gewillige paarden hoeft men niet met sporen te steken
Nieuwe knechten werken wel

Men moet niet al zijn eieren

onder één kip leggen (in één mand stoppen)

Zeker is (maar) zeker

Wie in 't vuur blaast,

vliegen de vonken in 't oog

Wie een hoofd van een pintje heeft,

moet geen kan willen drinken

Zware klei, zware ossen
Een eerlijk ambacht heeft een gulden bodem
Blijven doet beklijven

Een advocaat en een wagenrad

moeten beide gesmeerd worden

Hoe groter jurist, hoe bozer christ
Aardewerk is paardenwerk

Een boer is een boer: als je hem omkeert

is het nog een boer

Armoede is geen schande
Armoede is luiheids loon
De armoede is de moeder van alle kunsten
Hongerige luizen (vlooien) bijten scherp
Een man zonder geld is een schip zonder zeilen
Magere hanen kraaien 't hardst
Wie heeft, zal gegeven worden
Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen
Ieder stuiver brengt zijn gierigheid mee
't Meer is nooit vol

Hij is niet arm, die weinig heeft,

maar die met veel begeerten leeft

Wie brood men eet, diens woord men spreekt
Heden koopman, morgen loopman

Een vet varken weet niet

dat een mager honger heeft

De grote vissen eten de kleine
Geld is een sleutel die op alle sloten past

Een gouden zadel

maakt geen ezel tot paard

Beter een goede buur

dan een verre vriend

Gasten en vis blijven maar drie dagen fris
Een vrolijke gast is niemand tot last
Gezelligheid kent geen tijd

om van te

watertanden

gebakken lucht
je mond voorbij praten (meestal per ongeluk)
het nuttige met het aangename verenigen
op gespannen voet staan

het heeft hem

geen windeieren gelegd

wie de schoen past die trekke hem aan
dat mag de pret niet drukken
het ligt op het puntje van mijn tong

hij is van alle markten thuis

 

wees eerlijk
de kogel is door de kerk
belazerd worden waar je bij staat
het krijt ruimen
(anderen) onder hun voeten geven

betekenis: hij moest natúúrlijk

ook nog wat zeggen

betekenis: niet de perfecte oplossing zijn
je eigen plan trekken
het verlengstuk zijn van xyz
rechtsom of linksom

sterk schommelend

(bijv. koers van aandelen)

de Benjamin zijn
iemand in de kaart kijken
ook een blinde kip vindt weleens een graankorrel

als de kat van huis is,

dansen de muizen op tafel

iets/iemand op het oog hebben
dat is mij met de paplepel ingegoten
(het) doel van de exercitie (is)
Duits / Duitse vertaling
wie aus heiterem Himmel geschehen
den Nagel auf den Kopf treffen
 sich zum Affen machen
 vom Hölzchen aufs Stöckchen kommen
 auf Wolke sieben schweben
 Liebe macht blind
 sich von etw. nichts kaufen können
 nicht die geringste Ahnung haben
 Hunger ist der beste Koch
 Jacke wie Hose" /"gehopst wie gesprungen
 die Ärmel hochkrempeln
 das ist kalter Kaffee
 von etw. die Schnauze voll haben
 die Katze aus dem Sack lassen
 ein Fass ohne Boden
 Unter den Blinden ist der Einäugige König
 an der Sache ist etwas faul
 Vorsicht ist die Mutter der Porzellankiste
(lieber) auf Nummer sicher gehen
 das ist so sicher wie das Amen in der Kirche
 wer den Pfennig nicht ehrt ist des Talers nicht wert
 jemanden aus der Reserve locken
 auf großem Fuß leben
 nicht über den eigenen Tellerrand blicken/schauen/sehen
 jemandem die Suppe versalzen
 das geht auf keine Kuhhaut
 Öl ins Feuer gießen
 den Atem anhalten
 Beharrlichkeit führt zum Ziel
 für jemanden die Hand ins Feuer legen
 den Ton angeben
 ein Klotz am Bein sein
 sich etw. aus den Fingern saugen
 jemanden zum Narren halten/verarschen
 jemandem einen Bären aufbinden
 den Kopf über Wasser halten
 vor Freude an die Decke springen
 ins Wasser fallen
 wer a sagt muss auch b sagen
 schlafende Hunde soll man nicht wecken
 sich grün und blau ärgern
 mit jemandem noch ein Hühnchen zu rupfen haben
 das Kind beim Namen nennen
 in den sauren Apfel beißen
 nach Worten/um Worte ringen
 eine große Klappe haben
 jemandem das Fell über die Ohren ziehen
 er/sie ist nur noch Haut und Knochen
 ich fühl mich wohl/gut (in meiner Haut)
 es ist zum Aus-der-Haut-Fahren
 andrer Fehler sind gute Lehrer
 (die) Eulen nach Athen tragen
 das Kind (nicht) mit dem Bade ausschütten
 stille Wasser sind tief
 was ich nicht weiß, macht mich nicht heiß
 der Weg zur Hölle ist mit guten Vorsätzen gepflastert
 die Weisheit gepachtet haben
 jemandem den Mund verbieten
sich den Mund nicht verbieten lassen

 was du heute kannst besorgen,

 das verschiebe nicht auf morgen

 wer anderen eine Grube gräbt, fällt selbst hinein
 etwas nicht allzu ernst nehmen
 mit voller Absicht
 jemandem den Wind aus den Segeln nehmen
 enttäuscht zurückkehren (nach fehlgeschlagenem Plan)
 die letzten Schritte sind die schwersten
 ein dickes Fell haben
 [mit x] kannst du nichts falsch machen
 einem geschenkten Gaul schaut man nicht ins Maul
 all seinen/seinen ganzen Mut zusammennehmen
 was Hänschen nicht lernt, lernt Hans nimmermehr
 einander das Wasser reichen können
 wer Wind sät, wird Sturm ernten
 es gibt viel zu tun
 reinen Wein einschenken
 das ist vergebene Liebesmüh'
 Lügen haben kurze Beine
 den Löwenanteil bekommen/erhalten
 Kleider machen Leute
 man sollte nichts übers Knie brechen
 gewogen und zu leicht befunden
 (etw.) auf gut Glück (tun), aufs Geratewohl
 wer zuerst kommt, mahlt zuerst
 das hat ihm/ihr den Rest gegeben
 viel Lärm um nichts
 Haare auf den Zähnen haben
 heute Abend lasse ich die Sau raus (aankondigend)
er geht (voll) ab, er flippt vollends aus
 voll abgehen, die Sau rauslassen
 Schadenfreude ist die schönste Freude
 Schadenfreude ist die schönste Freude
 sich nicht satt sehen können
etwas (z.B. eine Stadt) wie seine Westentasche kennen
es ist ein Fass ohne Boden
etw. ist jmd. in Fleisch und Blut übergegangen
mit etw. voll danebenliegen/mit etw. falsch liegen
etw. kommt voll/sehr gut zur Geltung (optisch)
ich versteh' nur (noch) Bahnhof
im selben Boot sitzen
keine weiße Weste/sich schuldig gemacht haben
(lass[t]) uns) reinen Tisch machen
das ist so sicher wie das Amen in der Kirche
auf Regen folgt Sonnenschein
dem Eis einer Nacht (sollten man nicht) vertrauen
in den Keller fallen
Kaffeesatz lesen
Morgenstund' hat Gold im Mund
volle Fässer klingen nicht, leere desto mehr
jeder Vogel singt, wie ihm der Schnabel gewachsen ist
wer einen Hund schlagen will, findet leicht einen Knüppel
voll ins Schwarze treffen
stolz wie Oskar sein
fünfe gerade sein lassen
den Mund nicht so voll nehmen
kam der Ball ins Rollen
das sagt mir was
auf der Zunge liegen
jemanden in die Irre führen
auf die falsche Fährte locken
Gelegenheit macht Diebe
wer schön sein will, muss leiden
aufmerksam sein
neue Speise macht neuen Appetit
es zu bunt treiben (das Maß überschreiten)
mehr Gewicht haben (i. Ü. S.)
nur einen Katzensprung entfernt
mit etwas falsch liegen (i. ü. S.)
essen, was auf den Teller kommt
es wird gegessen, was auf den Teller kommt!
jemandem die Haare vom Kopf fressen
hausieren gehen

es wird nichts so heiß gegessen,

wie es gekocht wird

jemanden auf frischer Tat ertappen
jemanden im Stich lassen
wer schön sein will, muss leiden
neue Speise macht neuen Appetit
Von Dornen kann man keine Trauben lesen
Ein närrischer Mensch hat närrische Träume
Der Geist ist willig, aber das Fleisch ist schwach
Der Apfel fällt nicht weit vom Stamm
Wie der Vater, so der Sohn
Wie die Mutter, so die Tochter
An der Frucht erkennt man den Baum
Gut Blut lügt nicht
Was vom Affen kommt, will lausen, was von Katzen kommt, will mausen
Gute Wolle, gutes Tuch
Bös Ei, bös Küchlein
Wie die Alten sungen, so zwitschern auch die Jungen
Wie die Jugend für sich hat, dem gehört die Zukunft
Jugend kennt keine Tugend
Ein guter Hahn wird selten fett
Jäger und Fischer haben oft einen leeren Tisch
Eine Frau ohne Mann ist wie ein Fisch ohne Fahrrad
Ein Frauenhaar zieht stärker als ein Glockenseil (Marssegel)

Eine Frau und ein Gewitter

sind immer zu fürchten

Junge Frau und alter Mann

ist ein trauriges Gespann

Frauenlist geht über alle List
Frauen sind Wetterfahnen
Weiße Pferde brauchen viel Streu
Von außen hui, von innen pfui
Ein böses Weib erspart den Hund
Ein Küsschen in Ehren kann niemand verwehren
Ein Kuss ohne Bart ist ein Ei (eine Suppe) ohne Salz
Die besten Pferde sucht man im Stall
Wenn der rechte Josef kommt, sagt Maria Ja
Wenn Mädchen bitten, so gewähren die Männer
Es gibt überall mehr Häuser als Kirchen
Es ist viel leichter, einen Korb Flöhe zu hüten als ein junges Mädchen
Man muss der Katze nicht den Käse (Speck) anbefehlen
Wer die Tochter haben will, hält es mit der Mutter
Die Liebe deckt alles zu
Die Liebe überwindet alles
Die Liebe ist stärker als der Tod
Jeder Topf findet seinen Deckel
Wer sein Haus verkaufen will, putzt die Giebel
Wenn der Apfel reif ist, fällt er
Wenn die Birne reif ist, fällt sie vom Baum
Alte Liebe rostet nicht
Von bloßer Liebe raucht der Schornstein nicht
Liebe kann viel, Geld kann alles
Im Dunkeln ist gut munkeln

Heirate über den Mist, dann weißt du,

wer sie ist (wo du bist)

Gleiches bei Gleichem
Geld kommt zu Geld
Wo der Schornstein raucht, da ist gut freien
Auf Freiers Schwören ist wenig zu hören!

Wenn man die Katze auf den Speck bindet,

frisst sie ihn nicht

Im Krieg und in der Liebe ist alles erlaubt
Die Ehen werden im Himmel geschlossen
Heiraten ist besser als brennen

Was Gott verbunden hat,

das soll der Mensch nicht trennen

Eine Hochzeit macht die andere
Zu früh gefreit, hat manchen gereut
Heirat in Eile bereut man mit Weile

Zur Haushaltung gehört mehr

als vier Beine unter dem Tisch

Erst den Käfig, dann den Vogel
Wer heiratet, tut wohl, wer ledig bleibt, besser

Wer heiratet wegen der Mitgift,

mit der Ehe Gift trifft

Wenn die Henne kräht und piept der Hahn, so steht's dem Hause übel an

Besser mit einer Eule gesessen,

als mit einem Falken geflogen

Eines Mönches wegen baut man kein Kloster

Einen alten Bock gelüstet wohl

auch nach einem grünen Blatte

Wenn alte Scheuern anfangen zu brennen,

dann hilft kein Löschen mehr

Kinder sind Gottes Segen
Aus kleinem Reis wird ein großer Baum
Mancher will fliegen, ehe er Federn hat
Die Kuh gar leicht vergisst, dass sie ein Kalb gewesen ist
Einen alten Bären ist schwer tanzen lehren
Je grauer, je schlauer
Je älter, je dümmer
Wenn der Teufel alt wird, will er Mönch werden
Junge Huren, alte Betschwestern
Schwiegermutter, Teufels Unterfutter

Den Esel erkennt man an den Ohren,

an der Rede den Toren

Der Teufel ist nicht so schwarz, wie man ihn malt
Jedem Narren seine Kappe
Gleiche Mönche, gleiche Kappen
Guter Wein bedarf keines Kranzes
Natur zieht stärker denn sieben Pferde
Ein Fuchs ändert den Balg und behält den Schalk
Aus schlechtem Dornbusch kommt keine glatte Ranke
An der Frucht erkennt man den Baum
Den Vogel erkennt man an seinen Federn
Ein jeder redet von seinem Handwerk
Ein goldener Sattel ist wohl viel wert, aber er macht aus einem Esel kein Pferd
Kleine Vöglein, kleine Nestlein
Aus klattrigen Fohlen werden die schönsten Hengste
In solchen Wassern fängt man solche Fische
Was bald reif wird, wird bald faul

Ein fauler Apfel

steckt alle anderen an

Wenn ein Ferkel träumt, träumt's von Trebern

Rothaar und Erlenstrauch

wachsen auf keinem guten Grund

Man muss die Böcke von den Schafen trennen
Tugend adelt mehr als das Geblüt
Gleich und Gleich gesellt sich gern
Gleich und Gleich gesellt sich gern
Ein Fink fliegt selten allein
Eine Krähe hackt der anderen kein Auge aus
Ein Stotterer versteht einen Stammler
Zwei harte Steine mahlen selten fein
Höflichkeit ziert den Mann und kostet nichts
Gut Wort find't guten Ort

Mit dem Hute in der Hand

kommt man durch das ganze Land

Raue Schale, guter Kern

Der Bauer bleibt ein Bauersmann,

wird ihm auch Purpur angetan

Undank ist der Welt Lohn
Wohltat schreibt man in den Sand, Übeltat in Stein
Wenn die Sau satt ist, stößt sie den Trog um
Dem Reinen ist alles rein
Ein Adler fängt keine Mücken
Ehre geht vor Geld und Gut
Verlorene Ehr' kommt nimmermehr
Die Ersten werden die Letzten sein
Die Letzten werden die Ersten sein
Ein guter Ruf ist Goldes wert
Wer im Ruf steht, früh aufzustehen, der kann schlafen bis Mittag
Der Teufel ist nicht so schwarz, wie man ihn malt
Wer einmal stiehlt, ist immer ein Dieb
Wer hoch klimmt, fällt hart
Lieber der Erste hier als der Zweite in Rom
Ehrlich währt am längsten

Wenn der Fuchs predigt,

so hüte die Gänse

Es ist schwer stehlen, wo der Wirt ein Dieb ist
An dem feinsten Laken ist der größte Betrug
Papier ist geduldig

Geduld ist ein edles Kraut,

wächst aber nicht in allen Gärten

Geduld ist bitter, aber die Frucht ist süß
Man muss den Baum biegen, wenn er noch jung ist
Wer nicht hören will, muss fühlen

Auf einen groben Klotz

gehört ein grober Keil

Wo der Teufel nicht selbst hin will,

schickt er einen Pfaffen (ein altes Weib)

Wer sich zum Schaf macht,

den fressen die Wölfe

Was du nicht willst, das man dir tu',

das füge auch keinem andern zu

Alte Böcke haben harte (steife) Hörner
Der Treiber und der Esel denken nicht dasselbe
Das Gute wirkt im Stillen
Wer gibt, was er hat, ist wert, dass er lebt
Bald geben, ist doppelt geben
Wer dem Armen gibt, dem wird's nicht mangeln
Lass deine linke Hand nicht wissen, was die rechte tut
Wer Armen gibt, gibt Gott
Bettelsack ist bodenlos
Das Hemd ist näher als der Rock
Ein jeder für sich und Gott für uns alle
Aller Leute Freund, jedermanns Geck
Geiz (Habsucht) ist die Wurzel allen Übels

Wenn der Teufel das Pferd holt,

holt er auch den Zaum dazu

Schwere Ähren und volle Köpfe neigen sich
Wer sich selbst erhöht, wird erniedrigt
Hochmut kommt vor dem Fall
Große Prahler, schlechte Zahler
Der Hahn ist König auf seinem Mist
Bellende Hunde beißen nicht
Ein Mann ein Mann, ein Wort ein Wort

Es ist Treue noch Glauben

auf Erden

Die Ratten verlassen das sinkende Schiff
Gebrauchter Pflug blinkt, stehend Wasser stinkt
Sich regen bringt Segen
Faulheit hat Armut zum Lohn
Wer schläft, fängt keine Fische
Faul bekommt nichts ins Maul
Blinder Eifer schadet nur
Wenn der Tag zu Ende, regt der Faule die Hände
Einem faulen Arbeiter ist jede Hacke zu schlecht
Ein voller Bauch (Magen) studiert nicht gern
Morgenstund hat Gold im Mund
Willig Pferd soll man nicht spornen
Neue Besen kehren gut

Man muss nicht zu viel Eier

unter eine Henne legen

Sicher ist sicher

Wer das Feuer schürt,

dem schlägt der Rauch in die Augen

Was man nicht kann,

steht einem nicht an

Wie der Herr, so das Gescherr
Ein Handwerk ist Goldes wert
Auf dem rollenden Stein wächst kein Moos

Advokaten und Wagenräder

wollen geschmiert werden

Juristen sind böse Christen
Graben und Hacken macht rote Backen

Der Bauer bleibt ein Bauersmann,

wird ihm auch Purpur angetan

Armut ist keine Schande
Armut ist der Faulheit Lohn
Armut ist die Mutter der Künste
Hungrige Läuse (Fliegen/Flöhe) stechen scharf
Wer kein Geld hat, reitet zu Fuß
Das dümmste Vieh schreit am lautesten
Wer hat, dem wird gegeben
Gute Tage wollen starke Beine haben
Der Geiz wächst mit dem Gelde
Mehr will mehr haben

Wer nie genug hat,

ist immer arm

Wes Brot ich esse, des Lied ich singe
Heute ein Kaufmann, morgen ein Laufmann

Eine feiste Sau weiß nicht,

wie es der hungrigen zu Mute ist

Die großen Fische fressen die kleinen
Geld öffnet alle Türen

Ein goldener Sattel ist wohl viel wert,

aber er macht aus einem Esel kein Pferd

Ein guter Nachbar an der Hand

ist besser als ein Freund über Land

Der Gast ist wie ein Fisch, er bleibt nicht lange frisch
Ein froher Gast ist niemands Last
Bei guter Gesellschaft ist gut sitzen

da läuft einem das Wasser

im Munde zusammen

heiße Luft
sich verplappern (meist unfreiwillig)
das Angenehme mit dem Nützlichen verbinden
sich schwer miteinander kombinieren lassen

niet gebruikelijk: "das hat ihm keine Windeier gelegt"

eerder: "das hat sich für ihn ausgezahlt"

wem der Schuh passt, der zieht ihn sich an
das soll der Freude keinen Abbruch tun
es liegt mir auf der Zunge

er ist in allen Sätteln gerecht

(of: er ist ein Alleskönner)

Hand aufs Herz
es wurde eine Entscheidung getroffen
betekenis: schamlos betrogen werden
die Flinte ins Korn werfen
(anderen/jemandem) Beine machen

er musste natürlich auch noch

seinen Senf dazu abgeben

nicht der Weisheit letzter Schluss sein
sein eigenes Ding machen
der verlängerte Arm von xyz sein
man kann es drehen und wenden wie man will

starken Schwankungen unterworfen sein

(z. B. Aktienkurse)

das Nesthäkchen sein
jemandem in die Karten schauen
auch ein blindes Huhn findet mal ein Korn

ist die Katze aus dem Haus,

tanzen die Mäuse auf den Tischen

ein Auge auf etw./jmd. (geworfen) haben
das habe ich mit der Muttermilch aufgesogen
Ziel der Übung (ist es)
Joomla SEF URLs by Artio